Doel(groep) bereikt. Bevordering van de seksuele gezondheid tegen een culturele achtergrond (NL) | Onderzoek

Seksuele gezondheid en etnisch-culturele minderheden

Doel(groep) bereikt is een onderzoek naar wat er leeft op het gebied van seksualiteit onder verschillende allochtone groepen.

Bepaalde groepen allochtonen hebben een meer dan gemiddelde kans op problemen met de seksuele gezondheid. Eerder onderzoek wees al uit dat de belangrijkste problemen met de seksuele gezondheid van bepaalde groepen allochtonen zijn: tienerzwangerschappen onder Surinaamse en Antilliaanse meisjes, soa's onder Surinaamse en Antilliaanse jongeren, seksuele dwang onder Turkse en Marokkaanse meisjes.

In veertig persoonlijke diepte-interviews wordt gepeild naar de beleving van seksualiteit door de respondenten, bijna allemaal laagopgeleid en uit achterstandswijken. Zodat toekomstige acties beter aansluiten bij de belevingswereld van personen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse en Afrikaanse afkomst.

Het onderzoek eindigt, naast een reeks conclusies, met een hele rits aanbevelingen naar het beleid toe.

Een greep uit de conclusies:

Samengevat liggen de volgende, deels cultureel bepaalde, determinanten ten grondslag aan problemen met de seksuele gezondheid:

  • Levenshouding: Bij een deel van doelgroep is sprake van een losse levensstijl waarin het ervaren en het nemen van verantwoordelijkheid voor de eigen acties niet centraal staat. Vaak heeft dit te maken met een laag zelfbeeld en een negatief toekomstbeeld. Daarnaast hebben velen een sterk ‘externe locus of control’, ze hebben het gevoel dat ze hun leven niet kunnen plannen en zien wel wat er gebeurt. Samen met een laag ingeschatte risicoperceptie draagt dit bij aan een vaak achteloze houding ten aanzien van anticonceptie.
  • Actief, vluchtig en onveilig: De seksuele belevingswereld speelt een belangrijk rol in de problemen met de seksuele gezondheid. Een deel van de doelgroep is, vaak al op jonge leeftijd, seksueel erg actief en heeft relatief veel vluchtige seksuele contacten. Vanwege een veelal negatieve attitude ten aanzien van anticonceptie, zowel bij mannen als vrouwen, kan dit leiden tot problemen met de seksuele gezondheid.
  • Onvoldoende kennis en gebrekkige relationele vaardigheden: Over het algemeen is de kennis over hoe je soa’s kunt voorkomen of genezen onvoldoende. Toch is vaak wel bekend dat er eigenlijk een condoom gebruikt moet worden. Duidelijk is echter dat deze kennis niet zonder meer tot het juiste gedrag leidt. De problematiek ontstaat eerder door zaken zoals de seksuele mentaliteit, gebrek aan weerbaarheid en gebrekkige relationele vaardigheden.
  • Opvoeding: Bij de allochtone doelgroep is vaak sprake van een gebrek aan openheid over seksualiteit binnen gezinnen. Met name tussen ouders en kinderen is seksualiteit niet bespreekbaar. Dit speelt het sterkst bij Turkse en Marokkaanse jongeren, vanwege de taboe- en schaamtecultuur, een sterke sociale controle en een ‘roddelcultuur’ binnen die gemeenschappen. Binnen de islamitische doelgroep is de religie met name voor meisjes en vrouwen van invloed op zowel het seksueel gedrag als de openheid over en bespreekbaarheid van seksualiteit.
  • Man-vrouw verhoudingen en weerbaarheid: In de man-vrouw verhoudingen schuilt ook een belangrijke oorzaak voor de problematiek. Veel geïnterviewde jongens en mannen uit de doelgroep hebben weinig respect voor vrouwen. Veel vrouwen en meisjes uit de doelgroep zijn bovendien niet weerbaar genoeg. Bij Turkse en Marokkaanse meisjes en jonge vrouwen speelt mee dat ze chantabel zijn omdat ze bang zijn dat informatie over hun seksuele gedrag bij de familie terecht komt.
  • Sociaal-economische status: Wellicht nog meer dan cultureel bepaalde determinanten spelen sociaal economische en maatschappelijke factoren een belangrijke rol. Een groot deel van de respondenten uit de doelgroep is relatief laag opgeleid en ervaart ook problemen op andere gebieden zoals werk, drank en drugsgebruik en het opgroeien in een achterstandswijk. Meer dan de cultuur van de ouders speelt de subcultuur, de straatcultuur waarbinnen zich jongeren met een verschillende etnische achtergrond bewegen, een grote rol bij de geïnterviewde jongeren.
  • Kennis over en houding ten aanzien van hulpverlening: De doelgroep weet niet altijd waar ze terecht kunnen voor een test of bij problemen. Daarnaast is er sprake van een zekere angst om naar een hulpverlener toe te gaan.
  • Perceptie van problematiek: Duidelijk is dat de problemen met de seksuele gezondheid niet altijd daadwerkelijk als probleem worden ervaren door de doelgroep.
  • De rol van afkomst en geslacht: Bepaalde determinanten spelen bij de ene etnische groep een grotere rol dan bij de andere. Dit geldt bijvoorbeeld voor het gebrek aan openheid en de taboe- en schaamtecultuur waarvan meer sprake is bij Turken en Marokkanen dan bij Antillianen en Surinamers. Toch blijkt ook dat de verschillen tussen groepen soms vervagen, wat te maken heeft met de eerder genoemde subcultuur en met sociaal economische en maatschappelijke factoren. Dit speelt echter sterker bij mannen en jongens dan bij vrouwen en meisjes. Bij vrouwen en meisjes zijn culturele factoren die te maken hebben met de afkomst van grotere invloed dan bij jongens, blijkens de verschillen tussen Marokkaanse en Turkse meisjes enerzijds en Antilliaanse en Surinaamse meisjes anderzijds met betrekking tot bijvoorbeeld de visie op moederschap, seksuele activiteit en openheid over seks.

Wie voerde het onderzoek?

Het Nederlandse Research voor beleid in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Lezen?

Klik hier en lees het eindrapport Doel(groep) bereikt. Bevordering van de seksuele gezondheid tegen een culturele achtergrond.